Info over de kern St.-Eligius Ruddervoorde

 

Het beheer van de kerkgebouwen gebeurt door de Kerkfabrieken

De Kerkfabriek vormt een schakel tussen de burgerlijke overheid en de kerkgemeenschap.
Zij draagt zorg voor de materiële omkadering van de eredienst,
voor het behoud en onderhoud van de kerk
en zij beheert de inkomsten en uitgaven.

Het bestuur van de Kerkfabriek is samengesteld uit:

Voorzitter
Guido Veys

secretaris
Daniël Heyneman

penningmeester
Bernard d'Udekem d'Acoz


leden
Martin Vanhevel


Rita Bonne

 

van rechtswege:diaken Geert Denoo

De St.-Eligiuskerk van Ruddervoorde

Patroonheilige is  St.-Eligius

Eligius is geboren in Chaptelat, een dorp nabij Limoges, uit Terrigie (moeder) en de pottenbakker Eucher
en wilde smid worden, maar werd al snel opgeleid tot goudsmid door Abbo, muntmeester van Limoges.
Vervolgens zette hij zijn opleiding voort bij Babo, koninklijk schatkistbewaarder in Neustria.
Op aanbeveling van deze Babo vroeg koning Clotarius II aan Eligius
om voor hem een troon te maken van goud, versierd met edelstenen.
Nadat het werk klaar was gaf Eligius het resterende goud terug aan de opdrachtgever.
Deze eerlijkheid bezorgde hem de titel van muntmeester van Marseille
en een plaats in de hofhouding.

Na de dood van Clotarius benoemde zijn zoon, koning Dagobert I,
hem tot belangrijkste adviseur.
De faam van Eligius verspreidde zich snel en ambassadeurs betoonde hem eer
alvorens de koning met een bezoek te vereren.
Toen Eligius kans zag om de Bretonse koning Judicail over te halen
zich te onderwerpen aan het Frankische gezag, steeg zijn invloed verder.
Eligius gebruikte zijn bekendheid door geld in te zamelen voor de armen en
Romeinse, Gallische, Bretonse, Saksische en Moorse slaven vrij te kopen
die dagelijks in Marseille werden aangevoerd.
Ook stuurde hij dienaren uit om de lichamen van de terechtgestelde misdadigers
een fatsoenlijke begrafenis te bezorgen.
Ook werd hij, samen met zijn vriend Dado (ook bekend als Audoenus of St. Ouen),
aan het hof gezien als iemand met een respectvolle levenswijze,
omdat hij leefde overeenkomstig de regels van het Ierse kloosterleven,
in Gallië bekend gemaakt door St. Columbanus.
Hij voerde deze leefwijze ook in het klooster van Solignac
dat hij in 632 stichtte en in het nonnenklooster van Parijs.
Hij bouwde de basiliek van St. Paulus in Parijs en restaureerde de basiliek van St. Martial.
Verder bouwde hij prachtige kerken gewijd aan St. Martinus van Tours,
de patroon van de Franken, en St. Denis, de patroonheilige van de koning.

Na de dood van koning Dagobert verlieten Eligius en Dado het hof en werden tot priester gewijd.
Na het overlijden van Acarius, de bisschop van Noyon-Tournai, op 13 mei 640
volgde Eligius hem op met de uitdrukkelijke steun van de geestelijkheid en het volk.
De inwoners van zijn bisdom waren voornamelijk ongelovigen.
Hij richtte zich op de bekering van de Vlamingen, de inwoners van Antwerpen,
de Friezen en van de barbaarse stammen langs de kust.
In 654 stemde hij in met de toewijzing van de beroemde immuniteit
aan de abdij van St. Denis in Parijs,
waardoor deze een eigen rechtspraak kreeg.
In zijn eigen bisschoppelijke stad Noyon bouwde en begiftigde hij een nonnenklooster.
Toen het lichaam van de heilige St. Quentin gevonden was,
stichtte bisschop Eligius een kerk met bijbehorend klooster tot zijn nagedachtenis.
Uit deze periode zijn nog een preek bekend waarin Eligius de heidense gewoonten van zijn tijd bestrijdt,
een preek over het laatste oordeel en een brief uit 645
waarin hij om geld vraagt voor bisschop Desiderius van Cahors.
Van veertien andere preken die aan hem zijn toegeschreven, is de herkomst onduidelijk.

In de kerkelijke kunst wordt Eligius vaak uitgebeeld in een bisschopsgewaad
met een kromstaf
in de rechterhand en een miniatuur kerk van geciseleerd goud
op de open palm van zijn linkerhand.
Ook is hij wel afgebeeld met een (gekroonde) smidshamer, aambeeld
of tang in plaats van de kromstaf.